Nieuwsbrieven

Algemene richtlijnen voor staalafname

ALGEMENE RICHTLIJNEN VOOR STAALAFNAME

Identificatie

Een goede identificatie van elk staal is van cruciaal belang.

Gelieve op het aanvraagbriefje steeds alle verplichte en/of voor de analyse of interpretatie belangrijke vermeldingen te noteren. Dit behelst onder meer steeds de duidelijke identificatie van de patiënt, met vermelding van geboortedatum en geslacht en de duidelijke identificatie van de aanvrager. Gelieve de aangevraagde testen zoals voorgeschreven individueel aan te vinken.

Gelieve tevens op elk staal duidelijk de identificatie van de patiënt aan te brengen. Opgelet: vele klevers (o.a. mutualiteitsbriefjes) zijn hiertoe onvoldoende vochtbestendig en dreigen bijvoorbeeld van een ietsje lekkend urinepotje af te vallen. Het is een goede gewoonte alle stalen van eenzelfde patiënt samen met het aanvraagbriefje in een afzonderlijk zakje samen te brengen.

Breng de identificatie op het staal (bijvoorbeeld bloedbuisjes) steeds aan onmiddellijk na de afname.

Bloed

Bloed wordt bij voorkeur afgenomen in vacuümtubes. Dit geeft de beste garantie voor een goede afname: de verhouding tussen het bloed en de in de buis aanwezige additieven is optimaal (mits volledige vulling), de onderdruk tijdens de afname is perfect gecontroleerd. Het is bij een bloedafname in vacuümbuizen van absoluut belang de buizen steeds zo ver mogelijk te laten vollopen (meestal is dit tot iets minder dan één centimeter van de stop. Opgelet: in sommige buizen is het nuttige volume beperkt en wordt de buis slechts gedeeltelijk gevuld; dit staat dan specifiek vermeld op het etiket van de buis).

De kleur van de stop van de vacuümbuis is een code voor het anticoagulans of ander additief dat in de buis aanwezig is. In de tabel hierbij wordt een overzicht gegeven van de meest gebruikte kleurcodes. In de uitgebreide tabel met referentiewaarden en richtlijnen voor afname per test, wordt naar deze kleurcode verwezen.

De in sommige vacuümbuizen aanwezige gel (SST of serum separator tube), laat toe het serum of plasma na centrifugatie efficiënter te scheiden zonder bijmenging van de rode bloedcellen. Dergelijke buis is dus niet geschikt voor tellen van cellen of meten van intracellulaire bestanddelen.

We maken geen melding van de speciale citraatbuis met oranje stop, welke soms voor het bepalen van de sedimentatiesnelheid wordt gebruikt: bloed voor de sedimentatiesnelheid is veel stabieler indien het op EDTA afgenomen werd (violette stop).

Voor een gewone algemene aanvraag zijn meestal 2 tubes gestold bloed (rode stop; nuttig volume van ongeveer 10 mL) gewenst. Van de tubes met anticoagulans volstaat (behoudens uitzonderingen, vermeld in de lijst per test) telkens 1 buis, bijvoorbeeld. voor hematologie (violette stop), glucose (grijze stop), eventuele stollingstesten (blauwe stop).

Vergeet niet de afgenomen buisjes 6 tot 8 maal om te draaien om een goede menging te bekomen. Dit gebeurt door eenvoudig kantelen en niet door hard schudden: dit laatste zou hemolyse kunnen veroorzaken. In afwachting van de ophaling worden de buisjes best op kamertemperatuur gehouden. Vermijd hoge temperaturen (zon, chauffage). Tenzij specifiek vereist geen stalen invriezen (cave: plaats koel te houden stalen niet te dicht bij het vrieselement in de koelkast).

Specifieke richtlijnen voor bepaalde testen worden in de tabel per analyse medegedeeld.

Bloedafnames bij kinderen en moeilijke bloedafnames.

Bekom je weinig bloed, pas dan eventueel je testaanvraag aan: de sedimentatiesnelheid kan bijvoorbeeld voor veel indicaties vervangen worden door een dosering van CRP. Duid goed aan welke testen bij voorkeur dienen te worden uitgevoerd.

Overleg eventueel vooraf met het laboratorium over de testkeuze. Inderdaad kunnen heel wat testen gedeeltelijk onderling gecombineerd uitgevoerd worden, zodat minder staal vereist is: ze gebeuren bij voorbeeld op eenzelfde toestel (biochemie) of hebben eenzelfde basisverdunning (infectieuze serologie). Een getrapte aanvraag achteraf vergt steeds een groter staalvolume.

Voor moeilijke bloedafnames of afnames bij kinderen zijn ook kleine buisjes met het gepaste anticoagulans beschikbaar, bij voorbeeld voor een bloedafname uit een vinger- of hielprik. In deze kleine buisjes wordt meestal een anticoagulans in droge vorm gebruikt, wat toelaat verdunningsfouten te vermijden, bij voorbeeld bij de bloedceltelling. Daar er met een vingerprik geen correcte verhouding tussen bloed en anticoagulans kan bekomen worden, is dergelijke afname niet geschikt voor stollingstesten.

Bij een hielpunctie bij pasgeborenen moet men het aanprikken van de calcaneus en de eventuele complicaties daarvan vermijden. Daarom wordt de hiel nooit centraal aangeprikt, maar wel: ofwel lateraal van de lijn getrokken tussen de vierde en vijfde (kleine) teen naar de hiel, parallel met de voetrand; ofwel mediaal van de lijn getrokken van het midden van de grote teen naar de hiel, eveneens parallel met de voetrand. De afname wordt vergemakkelijkt door het voetje goed warm te houden (laat het bijvoorbeeld goed ingeduffeld tot net voor de afname).

Urine

Voor de meeste testen volstaat een 50 mL urine in het klassieke urinepotje (dus het potje voor de helft gevuld). De timing van de collectie kan een invloed hebben: voedingsinvloeden, meer geconcentreerde ochtendurine, diurnaal patroon. Ook de bewaring heeft een invloed: afgekoelde urine, eventueel aangeraden als de bacteriologische cultuur niet binnen de 4 uur kan worden ingesteld, induceert de vorming van urinekristallen. Hierna worden enkele specifieke richtlijnen gegeven voor urinecollecties.

24-Uursurine

Voor veel bepalingen is een 24-uursurineverzameling gewenst. Hiervoor gelden volgende richtlijnen:

1. De eerste ochtendurine in het toilet lozen en het uur op de ledige fles noteren.

2. In deze fles elke daaropvolgende urine van de dag en de nacht verzamelen.

3. De volgende morgen, op hetzelfde uur als de vorige dag op de verzamelfles werd genoteerd, terug urineren en deze urine bij de verzamelfles voegen.

4. Koel bewaren.

Aangezuurde 24-uursurine

Dergelijke collectie is nodig voor de dosage van o.a. catecholamines. Men gebruikt een recipiënt waar vooraf een sterk zuur, bijvoorbeeld 10 mL HCl, werd aan toegevoegd.

Opgelet: deze producten zijn gevaarlijk voor uzelf, kledij en meubelen !

De urine onmiddellijk na elke lozing toevoegen in de fles.

Alkalinisatie van de urine

De alkalinisatie van de urine wordt in de tabel toegelicht onder beta-2-microglobuline.

Midstream-urine

Zie urinecultuur.

Alternatieven voor 24-uursurine

Het is niet altijd praktisch om over te gaan tot een echte 24-uursurinecollectie.

In sommige omstandigheden wordt de urinecollectie ingekort tot een vaste kortere duur, vb. voor bepaling van de creatinine-clearance (2 of 4 uur; tijd nauwkeurig mededelen aan het laboratorium !) of voor de bepaling van de 2 uur nuchtere calciurie (zie onder calcium).

De uitdrukking van een urinaire parameter per gram creatinine is een handig alternatief indien geen correcte 24-uurscollectie haalbaar is. Dit wordt onder andere veel toegepast voor blootstellingstesten in de arbeidsgeneeskunde. Normaal wordt ongeveer 1 gram creatinine uitgescheiden per 24 uur, zodat de referentiewaarden per gram creatinine ongeveer overeenkomen met die van een 24-uurscollectie (gelijk tot 30% lager). Hetzelfde geldt voor een uitdrukking per liter (normaal ongeveer 1 tot 1.5 L urine per dag). De uitdrukking per gram creatinine is meestal betrouwbaarder dan de uitdrukking per liter, daar de creatinine-uitscheiding over de dag vrij constant is en het urinevolume daarentegen sterk kan wisselen o.a. afhankelijk van de vochtinname.

Controle op artefacten

Is er een twijfel over een artefactuele verdunning van de urine (vb. controle op drugs), dan kan dosage van het urinair creatininegehalte of bepaling van de osmolaliteit van de urine helpen. Is er een vermoeden op andere manipulaties van de urine, dan kan bepaling van de osmolaliteit (toevoeging van zouten ?) en van de urinaire pH nuttig zijn. Het uitzicht van de urine (normaal gelig of waterig en dus mogelijk verdund ?) en eventuele schuimvorming geven een visueel idee van de toevoeging van detergenten.

Een juridische context vereist een toezicht op het lozen van het urinestaal. Verse urine is warm.

Urine bij jonge kinderen

Specifieke kleefzakjes voor urinecollectie zijn beschikbaar. Opgelet voor fecale contaminatie. Na gebruik kan het zakje best in een klassiek urinepotje gebracht worden om verlies van het moeilijk verkregen materiaal te vermijden..

Urinecollectie voor de PCA3-score

Voor het bekomen van de PCA3-score dient mRNA van PCA3 en PSA bepaald te worden. mRNA is uitermate labiel en vereist de aanwezigheid van een transportmilieu met RNA-ase-inhibitoren.

Dit specifiek transportmilieu, totaal verschillend van bijvoorbeeld klassieke transportmilieus gebruikt voor microbiologie is verkrijgbaar via het laboratorium.

Zie ook in de testlijst onder PCA3 en de afzonderlijke nieuwsbrief.

Feces

Meestal volstaat een beperkte hoeveelheid stoelgang. Een minimumhoeveelheid is nochtans wenselijk (overeenkomend met de grootte van een walnoot).

Voor de dosering van fecaal vet is een totale verzameling (dagcollectie) wenselijk.

Zowel voor deze vetbepaling als voor parasitologisch onderzoek is het aan te raden de collectie op 3 (niet noodzakelijk opeenvolgende) dagen te herhalen.

Sperma

Een spermastaal wordt best bekomen door masturbatie in een zuiver recipiënt met plastieken (geen rubber) deksel. Een abstinentieperiode van 2 tot 7 dagen vooraf is wenselijk. Vermeld niet alleen de identificatie van de patiënt maar ook het uur en de dag van productie op de buis. Het gebruik van een condoom of coïtus interruptus kunnen de collectie en de resultaten beïnvloeden en wordt daarom ten zeerste afgeraden. Speciale condooms voor spermacollectie bestaan, maar zijn zeer duur.

Afkoeling van het staal heeft een sterk nadelige invloed op de mobiliteit van de spermatozoa. Daarom wordt het staal zo mogelijk in het laboratroium geproduceerd en als dit niet kan moet het binnen het uur (en uiterlijk binnen de 2 uur) in het laboratorium zijn. Ondertussen moet het staal op lichaamstemperatuur (bijvoorbeeld in de broekzak) gehouden blijven om de mobiliteit van de spermatozoa niet te beïnvloeden.

De productie van spermatozoa kent een sterke variabiliteit. Daarom is het wenselijk 2 tot 3 afzonderlijke spermastalen van een patiënt te onderzoeken, geproduceerd met een interval van weken tot maanden, alvorens definitief te besluiten tot oligo-, asthenozoö- of azoöspermie.

Speeksel

Hoewel minder gebruikelijk, wordt soms speeksel gecollecteerd voor het opsporen en soms doseren van een aantal merkers, zoals hormonen of antilichamen. Voor infectieuze serologie bijvoorbeeld wordt dit soms toegepast, vooral voor epidemiologische studies. Meestal blijkt deze techniek wel minder gevoelig dan de bepaling op serum. Speciale voorzorgen zijn vereist om contaminatie (voeding, tandenpasta, ...) en degradatie (bacteriën) te voorkomen.

Speekselwinning met de Salivette (firma Sarstedt)

Belangrijke opmerking vooraf: niet gebruiken bij kinderen onder de 3 jaar noch bij personen met verhoogd risico op verslikken.

1. Bij voorkeur gebeurt de collectie ‘s morgens voorafgaand aan inname van voeding of tandenpoetsen. Als de collectie later op de dag moet gebeuren, zeker 30 minuten wachten na de inname van vast of vloeibaar voedsel.

2. Maak de stop van de Salivette los; dit lukt best door deze stop ietwat zijdelings te drukken. Neem het wattenrolletje uit de Salivette en steek dit wattenrolletje in de mond. Blijf er 1 minuut zachtjes op kauwen. Hou het daarna zo lang in de mond tot je het gevoel hebt dat je het verzamelde speeksel niet meer in de mond kan houden.

3. Breng het wattenrolletje dan terug in het buisje en sluit de Salivette terug af met de stop.

4. Eventuele bewaring voorafgaand aan afhaling: in de koelkast.

Microbiologische transportmilieus en recipiënten.

Bacteriologische wisser

De klassieke bacteriologische wisser (witte stop) bestaat uit een vrij dikke enkele of dubbele wisser en een transportmilieu (meestal een gemodificeerd Stuart- of Amies-transportmilieu). Deze bacteriologische wisser is geschikt voor de meeste bacteriën en voor de meeste bacteriologische afnames.

Daar meestal veel materiaal beschikbaar is (vb. vaginale wisser, keelwisser) biedt het gebruik van een dubbele wisser het voordeel dit maximaal te kunnen verzamelen: in het laboratorium moeten vanuit deze wisser heel wat verschillende cultuurbodems worden geënt.

Is slechts weinig materiaal beschikbaar, dan kan van de dubbele wisser vooraf een van beide wattestokjes worden afgebroken, zodat slechts 1 te gebruiken wisser overblijft. Dit is handiger voor de afname en vermijdt later verwarring in het laboratorium.

De gebruikte wisser, in de huls met transportmilieu, kan best op kamertemperatuur bewaard blijven.

Virus- en Chlamydia-transportmilieus

Wij geven in de praktijk de voorkeur aan een gecombineerd transportmilieu (potje met ongeveer 1 mL roze vloeistof), dat door de keuze van zijn samenstelling zowel geschikt is voor Chlamydia- als voor viruscultuur. Dit milieu wordt best koel bewaard (vb. stock ingevroren en 1 of meer in de koelkast voor onmiddellijk gebruik). Indien troebel niet meer gebruiken. Uitgaande van dit potje kunnen ook andere detectiemethoden uitgevoerd worden, zoals herpesantigendetectie en DNA-amplificatie via PCR.

Daarnaast bestaan er voor cultuur van Chlamydia en virussen ook afzonderlijke wissers met, net zoals voor de bacteriologische wisser een bijpassende houder met een sponsje met transportmilieu. Bij deze wissers is het echter moeilijker alle afgenomen materiaal goed uit het recipiënt te recupereren. Meestal bevatten de afzonderlijke virustransportmilieus tevens antibiotica, welke maken dat deze milieus niet geschikt zijn voor Chlamydia-cultuur. Vandaar dat in de tabel per test hierna een onderscheid gemaakt wordt tussen Chlamydia-transportmilieu en virustransportmilieu.

Specifieke wissers voor antigendetectie en voor DNA- en/of RNA-onderzoek

Met de toename van het aantal technieken nemen jammer genoeg ook het aantal verschillende transportsystemen toe.

Voor antigendetectie van streptokokken kan beter een droge wisser (zonder transportmilieu) gebruikt worden. Het transportmilieu van een klassieke bacteriologische wisser kan inderdaad soms de antigendetectie beïnvloeden. Voor antigendetectie van RSV of influenza: zie nasofaryngeale afname hierna.

Voor DNA-detectie zijn meestal weinig voorzorgen nodig: DNA is meestal zeer stabiel. Voor RNA-detectie is daarentegen meestal wel een afzonderlijk specifiek bewaarmilieu vereist. Zie de virus- en Chlamydiatransportmilieus hierboven.

Droge recipiënten

Verschillende steriele potjes zijn beschikbaar: urinepotjes, sputumpotjes, kleine fecespotjes (opgelet: alleen een lepeltje feces is eigenlijk te weinig; zie hierboven). De grote fecescollectiepotten zijn niet steriel, doch dit is voor het gerichte fecesonderzoek geen probleem.

Nasopharyngeale afname voor influenza, RSV en kinkhoest (Bordetella pertussis)

Een nasopharyngeaal staal wordt best bekomen via een aspiraat of uitwassen van de nasopharynx, maar kan eventueel ook op een wisser (door de neus, tot in de nasopharynx).

Het uitwassen van de nasopharynx kan als volgt gebeuren: het hoofd achterover, wordt een heel kleine hoeveelheid fysiologische vloeistof in de neus gebracht en via een pipetje geaspireerd of op bijvoorbeeld een lege petrischaal uitgesnoten.

Eerst doet men dit langs de ene kant en drukt het andere neusgat tijdens het snuiten dicht; dan hetzelfde langs de andere kant.

Het bekomen materiaal wordt dan via het pipetje in een gepast recipiënt (goed afgesloten sputumpotje of kleine cryotube) overgebracht.

Enkel indien nodig kan een kleine hoeveelheid (0.1 mL) fysiologische vloeistof (vb. NaCl 0.9 %) worden toegevoegd om uitdroging van het staal te vermijden.

Enkele opmerkingen:

- sputumstalen of een gewone oppervlakkige neuswisser zijn niet geschikt,

- een gewone bacteriologische wisser is geen voorkeursafname voor deze virusdetectie,

- bij bloederige stalen is interferentie mogelijk

- het staal mag zeker niet gefixeerd worden,

- geen collectie in vacuümbuizen (deze bevatten steeds producten die in de testen zouden kunnen interfereren).

Hemocultuur

Zie onder hemocultuur in de tabel hierna.

SPECIFIEKE RICHTLIJNEN: de GRIJZE BLADZIJDEN

In de Grijze Bladzijden geven we specifieke richtlijnen voor staalafname en referentiewaarden per analyse.

Opgelet: referentiewaarden zijn steeds aangepast aan de gebruikte technieken, eenheden of calibraties enerzijds, medische beslissingsgrenzen anderzijds. Gezien de evolutie in al deze gebieden kunnen referentiewaarden veranderen.

Om alle vergissingen te vermijden, dient U steeds rekening te houden met de in het verslag afgedrukte referentiewaarden. Gelieve bij twijfel het laboratorium te contacteren.

In de tabel (links onder grijze bladzijden op de startpagina) worden voor elke test het gewenste staal, de afnamevereisten, referentiewaarden en eenheden van uitdrukking weergegeven, evenals andere in verband met de bepaling nuttige informatie.

Voor referentiewaarden is er eventueel een opsplitising volgens geslacht (M, V) en leeftijd. Voor arbeidsgeneeskundige blootstellingstesten wordt ook een MPV (maximum permissible value) weergegeven: dit is de maximaal toegelaten waarde voor beroepshalve blootgestelde personen.

Voor dosage van geneesmiddelen worden meestal de therapeutische en toxische en eventueel dodelijke (letale) spiegels medegedeeld, evenals enkele farmacokinetische parameters.

Conversiefactoren van conventionele naar internationale (S.I.) eenheden worden eveneens medegedeeld.

De trefwoorden werden uitgebreid met een aantal, goed ingeburgerde, klinische trefwoorden teneinde het zoeken naar de gepaste informatie zo vlot mogelijk te laten verlopen. Op deze manier hopen we het gebruik van de tabel te kunnen uitbreiden tot een hulp bij de keuze van voor het klinisch beeld passende testen.

Laatste update en versie grijze bladzijden: 05-DEC-2010 v4.

Zie ook: Quality tips, tips voor een optimale kwaliteit en © & Algemene voorwaarden.

Tenslotte vindt u hier een historiek van veranderingen i.v.m. technieken of referentiewaarden welke u kunnen aanbelangen.

Informatie over document :
Laatste update :01 - 2010
Auteur(s) :Guy De Groote (gdg@cri.be)
Trefwoorden :staalafname grijze bladzijden